Skip to content

V & A: Is de limbus niet tegenstrijdig met Gods rechtvaardigheid?

by op 24 september 2011

BEZWAAR: “Ongedoopte gestorven kinderen kunnen volgens de katholieke leer niet in de hemel komen. Toch hebben ze nooit iets kwaads gedaan en is het ook niet hun eigen schuld, dat zij niet gedoopt werden. Hoe kan dat rijmen met Gods rechtvaardigheid”

ANTWOORD:

Over het lot van de ongedoopte gestorven kinderen hebben we geen directe uitspraken van de H. Schrift. De tekst van Mt. 19:14 (ook bij Mc. 10:14 en Lc. 17:16),“Laat de kinderen tot Mij komen,” slaat niet op hen; want daar bedoelt Christus alleen dat we eenvoudig als kinderen moeten zijn om het Rijk van God binnen te kunnen gaan.

Maar indirecte uitspraken hebben we wel, inzover we nl. uit bijbelteksten weten dat niemand de hemel binnengaat, die niet door het doopsel herboren is. En zo weten we zeker dat ongedoopte kinderen niet naar de hemel kunnen gaan. Waar zij wel heen gaan weten we uit de leer van de Kerk, die daarbij steunt op de uiteenzettingen en leer van de godsgeleerden. Zij gaan niet naar de hel, omdat zij geen persoonlijke zonden hebben bedreven, en niemand verdoemd wordt, tenzij om persoonlijk bedreven zonden. En de erfzonde, waarmee die kinderen nog besmet waren, is geen persoonlijke zonde van hen, maar een “natuurzonde”. De plaats waar zij dan wel heengaam, noemen wij het voorgeborchte of limbus. We kunnen die nl. vergelijken met de plaats, waar de aartsvaders vóór Christus’ dood gewacht hebben, totdat de hemel voor hen geopend werd. Maar waar die plaats is, weten we niet. Daar genieten die kinderen volgens de leer van de theologen een natuurlijk geluk.

En het gemis van de bovennatuurlijke, zalige aanschouwing van God geeft hun geen verdriet of lijden. Want ofwel weten zij niet eens dat iets dergelijks aan anderen wel gegeven is, ofwel, als God het hun geopenbaard heeft (wat we natuurlijk niet kunnen uitmaken), zien zij in, dat het een geheel vrije gave van God is, waarop niemand uit zichzelf als op een recht aanspraak kan maken.

Zo blijkt, dat hun lot niet in strijd is met Gods rechtvaardigheid. Zij komen niets tekort; zij zijn gelukkig en lijden helemaal niet. Zij hebben weliswaar iets niet, wat aan anderen wel gegeven werd; maar dat is iets, waarop zij geen recht hebben, omdat het een bovennatuurlijke gave is. Dat begrijpen zij, als zij er iets van af weten; en zij verheugen zich in het geluk van de anderen.

(Bron: De Katholieke Kerk, Deel III, EE.PP. Felix Otten en C.F. Pauwels O.P., 1946)

Advertenties

From → Limbo

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: