Skip to content

Foute geloofsartikelen

by op 10 mei 2011

De afwijkende geloofsartikelen van de Getuigen van Jehova

De Getuigen van Jehova komen agressief naar buiten met hun overtuigingen. Hun geloof is niet zoals het mormonisme dat geheime doctrines heeft die enkel gekend zijn aan de ingewijden.

Wanneer mormonen bij je thuis langskomen, dan zeggen ze je niet dat ze geloven in meerdere goden, dat Jezus en lucifer “geesten-broeders” zijn, en dat een donkere huidskleur een zogezegde vloek van God is voor zonden. Mochten ze je deze dingen openlijk zeggen, dan zou je onmiddellijk de deur sluiten. Zulke doctrines zijn enkel voor de ingewijden. Mormonisme is dus een religie die enkel ontworpen werd voor of verstaan wordt door de bijzonder ingewijden.

De religie van de Getuigen van Jehova daarentegen is geschikt om open confrontatie aan te gaan. Ze zijn blij om je openlijk te zeggen wat ze geloven en ze zeggen het niet alleen aan je deur, maar ook in hun publicaties.

In ‘Jehovah’s Witnesses in the Twentieth Century’ kan bijvoorbeeld een diagram gevonden worden met de titel ‘Wat de Getuigen geloven.’ Dit diagram geeft alle doctrines en hun zogezegde bijbelse grondslag. Laat ons nu eens onderzoeken wat sommige van die doctrines zijn die de Getuigen van Jehova kenmerken.

(Bemerking: De volgende bijbelpassages komen uit de “bijbel” van de Getuigen van Jehova, tenzij anders aangegeven. Hun “bijbel” heet de ‘Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift’. Deze Bijbelvertaling wordt echter door Griekse en Hebreeuwse experts als een bijzonder arme en erg onnauwkeurige bijbelvertaling beschouwd. Er zijn vele plaatsen waar het niet getrouw is aan het Hebreeuws of het Grieks, in het bijzonder waar de tekst in de oorspronkelijke taal de speciale doctrines van de Getuigen zou moeten ondersteunen.)

1. Eerste probleem: Christus is geen God

De Getuigen van Jehova verklaren: “Christus is Gods zoon en ondergeschikt aan Hem.” Om deze positie te ondersteunen worden de volgende citaten gebruikt: “Dit is mijn Zoon, de geliefde, die ik heb goedgekeurd.” (Mt. 3:17). “Van God ben ik uitgegaan en ben ik hier” (Jn. 8:42). “Indien gij mij liefhadt, zoudt gij u verheugen dat ik heenga naar de Vader, want de Vader is groter dan ik.” (Jn. 14:28) “Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader en naar mijn God en uw God.” (Jn. 20:17) “Het hoofd van iedere man die Christus is; de man is op zijn beurt het hoofd van de vrouw en God het hoofd van de Christus.” (1 Cor. 11:3) “Wanneer echter alle dingen aan hem onderworpen zullen zijn, dan zal ook de Zoon zelf zich onderwerpen aan Degene die alle dingen aan hem onderwierp, opdat God alles zij voor iedereen.” (1 Cor. 15:28)

Op het eerste gezicht lijken deze citaten zeer indrukwekkend. Het lijkt alsof Christus in een zekere zin ondergeschikt is aan God de Vader. Maar wat met Jn. 10:30: “Ik en de Vader zijn één”? Of, “Wie mij heeft gezien, heeft [ook] de Vader gezien. Hoe kunt gij dan zeggen: ’Toon ons de Vader” (Jn. 14:9)? Of, “Alles wat de Vader heeft, is van mij” (Jn. 16:15)? Of, “Om die reden dan waren de joden er nog meer op uit hem te doden, omdat hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde, waardoor hij zichzelf aan God gelijk maakte” (Jn. 5:18)? Of, “[Jezus] die, alhoewel hij in Gods gedaante bestond, geen gewelddadige inbezitneming heeft overwogen, namelijk om aan God gelijk te zijn” (Fil. 2:6). Deze verzen lijken de andere tegen te spreken.

Hoe moeten we dit alles dan begrijpen? Door rekening te houden dat Jezus zowel God als mens is. Sommige verzen, zoals de vier laatste, verwijzen uitsluitend naar Zijn goddelijke natuur; andere verwijzen naar Zijn menselijke natuur. Voor zover Hij God is, is Jezus gelijkwaardig aan de Vader. Christus’ menselijke natuur is geschapen en is ondergeschikt aan de Vader. Echter, doordat de Getuigen zich uitsluitend concentreren op het menselijke aspect van Christus, met uitsluiting van zijn goddelijke natuur tot gevolg, wordt verkeerd begrepen wat de bijbel zegt dat Christus is. Andere verzen geciteerd door de Getuigen, zoals Mt. 3:17, tonen enkel aan dat Christus de zoon van God is, maar niet dat hij ondergeschikt is. Jn. 5:18 toont dat men door de Zoon van God te zijn, gelijk is aan God.

2. Tweede probleem: “Christus is geschapen”

De Getuigen van Jehova verklaren: “Christus was de eerste van Gods scheppingen.” Verzen geciteerd door de Getuigen van Jehova die dit ondersteunen, zijn de volgende: “Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping.” (Kol. 1:15) “Deze dingen zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige, het begin van de schepping door God.” (Apoc. 3:14)

Je ziet wat er wordt geargumenteerd in de eerste van de twee verzen: Dat “eerstgeborene” opvolging en ondergeschiktheid inhoudt. Maar de titel “eerstgeborene” verwijst naar Christus’ plaats als de hoofdzakelijke en enige Zoon van God (cf. Rom. 8:29). Verder, het Griekse voorzetsel dat vertaald wordt met “van” in dit vers, kan ook vertaald worden met het woord “over”.

En wat met het tweede vers van het Boek der Openbaring? Eerlijk gezegd, het lijkt moeilijk om te zien hoe het de Getuigen van Jehova eigenlijk helpt. Het zegt enkel dat Christus de bron van de schepping is en veronderstelt dus dat Christus goddelijk is, aangezien God alles geschapen heeft.

Het feit dat er geen moment is geweest wanneer de Zoon niet bestond, is aangegeven in Jn. 1:1-3, “In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.” [Katholieke Bijbelvertaling] Deze passage toont ook dat de zoon geen schepsel is, omdat alle geschapen dingen ontstaan zijn door Hem, en dat geen geschapen dingen ontstaan zijn behalve door Hem.

3. Derde probleem: Geen hel

De Getuigen van Jehova verklaren: “De boosaardigen zullen voor eeuwig vernietigd worden” (d.w.z. geen hel, enkel vernietiging). Verzen die dit ondersteunen: “Gaat weg van mij, gij die zijt vervloekt, in het eeuwige vuur dat voor de Duivel en zijn engelen is bereid . . . En dezen zullen heengaan in de eeuwige afsnijding, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.” (Mt. 25:41, 46) “Dezen zullen de gerechtelijke straf van eeuwige vernietiging ondergaan, ver van het aangezicht van de Heer en van de heerlijkheid van zijn sterkte” (2 Thes. 1:9)

Je kan voor jezelf zien dat deze verzen eigenlijk het tegenovergestelde bewijzen wat de Getuigen aanleren, namelijk het bestaan van de hel. Dit wordt bevestigd wanneer het Boek der Openbaring zegt: “En de rook van hun pijniging stijgt op tot in alle eeuwigheid, en dag noch nacht hebben zij rust, zij die het wilde beest en zijn beeld aanbidden, en al wie het merkteken van zijn naam ontvangt.” (Apoc. 14:11) Als ze geen rust, dag of nacht gegeven worden, dan zijn ze duidelijk nog aanwezig om de pijniging te ervaren.

4. Vierde probleem: Geen bloedtransfusies

De Getuigen van Jehova verklaren: “Het opnemen van bloed in het lichaam door de mond of aderen breekt Gods wetten.” De Getuigen van Jehova zijn misschien het meest gekend als diegenen die zichzelf of hun kinderen bloedtransfusies ontzeggen. Ze steunen voor deze overtuiging op de volgende verzen: “Alleen vlees met zijn ziel — zijn bloed — moogt gij niet eten.” (Gen. 9:4) “Want de ziel van elke soort van vlees is zijn bloed door de ziel die erin is. Dientengevolge heb ik tot de zonen van I̱sraël gezegd: gij moogt het bloed van geen enkele soort van vlees eten, want de ziel van elke soort van vlees is zijn bloed.” (Lev. 17:14) “Want de ziel van elke soort van vlees is zijn bloed door de ziel die erin is. Dientengevolge heb ik tot de zonen van I̱sraël gezegd: „Gij moogt het bloed van geen enkele soort van vlees eten, want de ziel van elke soort van vlees is zijn bloed. Een ieder die het eet, zal worden afgesneden.” (Hand. 15:28-29)

Maar er is een groot verschil tussen het eten van bloed en het ontvangen van leven-gevende bloedtransfusies. Hetgeen dat fout was met het eten van bloed, was dat het het leven van het dier ontheiligde. Maar een persoon die vrijwillig zijn bloed deelt om het leven te redden van iemand anders, ontheiligt niets. Inderdaad, zelfs ultra-orthodoxe joden, die de wetten van het Oude Testament strikt volgen, geven toe dat bloedtransfusies niet verboden zijn door het gebod om geen bloed te eten.

De Getuigen moeten andere problematische passages vermijden in verband met Gods verbod op het eten van bloed, omdat deze passages ook een verbod inhouden op het eten van vet. De Getuigen van Jehova geloven niet dat het eten van vet fout is en zouden helemaal geen probleem zien met gefrituurde stukjes varkensvet of een maaltijd met ribbetjes. Maar hun heftige oppositie tegen het eten van bloed, wanneer men het plaatst naast hun toestemming voor het eten van vet, lijkt weinig consequent. Waarom? Omdat Leviticus, het boek die ze consulteren om hun verbod van het eten (en ontvangen van transfusies) van bloed, in dezelfde passages een verbod uitspreekt tegen het eten van vet.

Kijk maar naar de volgende voorbeelden: “Gij moogt volstrekt geen vet en geen bloed eten.” (Lev. 3:17)  “En Jehovah ging voort tot Mo̱zes te spreken en zei: Spreek tot de zonen van I̱sraël en zeg: gij moogt in het geheel geen vet van een stier of een jonge ram of een geit eten. Het vet nu van een [reeds] dood lichaam en het vet van een verscheurd dier mag anderszins voor al wat men zich denken kan, worden gebruikt, maar gij moogt het volstrekt niet eten. Want een ieder die vet eet van het dier waarvan hij het als een vuuroffer aan Jehovah aanbiedt, de ziel die [het] eet, moet van zijn volk worden afgesneden. En waar gij ook woont, gij moogt in het geheel geen bloed eten, noch van gevogelte noch van viervoetige dieren. Elke ziel die enig bloed eet, die ziel moet van zijn volk worden afgesneden.” (Lev. 7:22-27)

Deze en andere gelijkaardige verzen zijn moeilijk voor de Getuigen om te verklaren. Het is totaal inconsistent om te insisteren op Gods “eeuwig verbod” op het eten van bloed, terwijl het “eeuwige verbod” (dat indezelfde context verschijnt) op het eten van vet gerust genegeerd kan worden! Over dit thema, zoals vele andere, zijn de Getuigen erg selectief en moeten ze veel van de Bijbel negeren om hun heterodoxe opvattingen “bijbels” te kunnen noemen.

En onthoud dat de culinaire voorschriften van het Oude Testament eenvoudigweg niet van toepassing zijn op christenen vandaag (cf. Kol. 2:16-17, 22) en dat de voorschriften die gegeven werden op het Concilie van Jerusalem in onbruik vielen, toen de overstap van joodse bekeerlingen naar het christendom erg ongewoon werd naar het einde van de eerste eeuw en de Kerk hoofdzakelijk bestond uit niet-joden. Dit waren geen onveranderlijke doctrines, maar disciplinaire regels.

5. Vijfde probleem: Geen clerus

 De Getuigen van Jehova verklaren: “Een clericale klasse en speciale titels horen niet.” Tot ondersteuning van deze positie verwijzen de Getuigen van Jehova naar de volgende verzen: “Laat mij alstublieft geen mens partijdigheid betonen; En aan een aardse mens zal ik geen titel verlenen.” (Job 32:21) “Maar gij moet u geen Rabbi laten noemen, want één is uw leraar, terwijl gij allen broeders zijt. Noemt bovendien niemand op aarde uw vader, want één is uw Vader, de Hemelse. Laat u ook geen ’leiders’ noemen, want één is uw Leider, de Christus.” (Mt. 23:8-10) “Maar gij moet u geen Rabbi laten noemen, want één is uw leraar, terwijl gij allen broeders zijt. Noemt bovendien niemand op aarde uw vader, want één is uw Vader, de Hemelse. Laat u ook geen ‘leiders’ noemen, want één is uw Leider, de Christus.” (Mt. 20:25-27)

Mattheus 23:9 wordt ook gebruikt door protestantse fundamentalisten wanneer ze argumenteren tegen het priesterschap. “Hoe kan je een priester ‘Pater’ noemen? Dat is tegen de Heilige Schrift.” Wat Christus echter in werkelijkheid bedoelde was het volgende: We moeten geen eer bewijzen aan anderen, voor datgene dat naar ons komt vanwege God de Vader. Maar Jezus moet niet verstaan worden in een totaal letterlijke manier. Als Mt. 23:9 op die manier moest begrepen worden, dan zou je moeilijkheden ondervinden voor een titel voor de man die je moeder trouwde.

Bovendien, St. Paulus, schrijvend onder inspiratie van de H. Geest, noemde zichzelf de vader van de kerk die hij gesticht had in Korinthië: “Want ook al hebt gij tienduizend leermeesters in Christus, stellig [hebt gij] niet vele vaders; want in Christus Jezus ben ik uw vader geworden door middel van het goede nieuws.” (1 Kor. 4:15) Hij verwees ook, onder goddelijke inspiratie, naar Timotheus als “mijn zoon” (1 Tim. 1:18; 2 Tim. 2:1), maar als hij Timotheus “mijn zoon” noemde, dan kon Timotheus hem “mijn vader” noemen, zolang hij Paulus’ vaderschap niet verwarde met het soort vaderschap dat God heeft (Mt. 23:9).

De Getuigen negeren ook de leer van de Heilige Schrift aangaande het gezag van kerkleiders en de gepaste eer die hen toekomt naar aanleiding van hun taak: “Nu verzoeken wij U, broeders, respect te hebben voor hen die onder u hard werken en de leiding over u hebben in [de] Heer en u ernstig vermanen, en hun om hun werk meer dan buitengewone achting in liefde te betonen.” (1 Thess. 5:12-13) “De oudere mannen die op een voortreffelijke wijze de leiding hebben, moet dubbele eer waardig worden geacht . . .” (1 Tim. 5:17), en “Weest gehoorzaam aan hen die onder u de leiding nemen en weest onderdanig, want zij waken over UW ziel als [mensen] die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet met zuchten mogen doen, want dit zou voor u schadelijk zijn.” (Heb. 13:17)

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: