Skip to content

V & A: Waarom worden vrouwen niet toegelaten tot het priesterambt?

by op 9 april 2011

De vraag of vrouwen gewijd kunnen worden tot het priesterschap is vandaag een zeer actuele vraag in sommige kringen. Het is echter een vraag waar de Kerk steeds “neen” op geantwoord heeft. Deze leer gaat terug op het Nieuwe Testament. Vooraleer we de redenen van deze afwijzing uiteenzetten, bekijken we eerst de bezwaren die door bovenvermeld manifest worden geuit.

Vaak worden bij pleidooien voor vernieuwing argumenten gebruikt die op het eerste gezicht gerechtvaardigd lijken. In werkelijkheid zijn ze louter een middel om dogma’s en kerkelijke discipline te ondermijnen. Typische argumenten zijn dan:

– Een oversimplificatie van Christus’ leer,

– Een onduidelijke passage uit het Nieuwe Testament

– Een verwijzing naar de “praktijk” van de eerste Christenen.

Het valt op dat geen enkele van deze argumenten gebruikt wordt in de discussie. De reden is eenvoudig: Christus, noch de Bijbel of de eerste Christenen kunnen aangewend worden om deze zaak te ondersteunen. Er is integendeel zeer veel materieel bewijs voorhanden dat het tegendeel bewijst. De enige argumentatie is dan ook louter een emotioneel argument “Waarom niet?!”.

Dit “Waarom niet?!”-argument doet denken aan een voetbalwedstrijd waar plots enkele spelers de drang voelen om de bal in de handen te nemen met dezelfde bedenking: “Waarom niet?!”. Het is duidelijk dat er dan geen voetbal meer gespeeld wordt. Het behoort tot de kern van de voetbalsport om de bal niet met de handen aan te raken. Wie de essentie van die sport verandert, speelt een andere sport. Diegenen die zich daar niet mee kunnen verzoenen, zullen vriendelijk verzocht worden een andere ploeg te zoeken. Zo zijn er voor diegenen die hardnekkig het priesterschap voor vrouwen opeisen, dan ook maar twee oplossingen: Zich neerleggen bij de kern van het geloof, of de Kerk de rug toekeren.

Aangezien we geloven in Gods Woord aan de mensen moeten we wat Het leert ernstig nemen. En de Bijbel leert ons duidelijk dat priesters mannen moeten zijn. St. Paulus leert dat, in de context van een kerk, vrouwen niet mogen “onderrichten of autoriteit uitoefenen” over mannen: “Een vrouw moet onderricht ontvangen, zwijgend en in alle nederigheid. Ik sta niet toe, dat de vrouw onderricht geeft of meestert over de man, ze moet zich stil houden.” Alhoewel vrouwen wel degelijk publiekelijk konden bidden en profeteren in de kerk (1 Kor. 11:1-16), was de rol van de vrouw beperkt en mocht ze bijvoorbeeld ook niet publiekelijk de leer van de clerus in vraag stellen of aanvallen (1 Kor. 14:34-38).

Deze aanmaningen van St.-Paulus gaan niet louter en alleen over culturele conventies. Deze kwestie valt niet in dezelfde categorie als “groet elkander met een heilige kus” (een zin die verschillende keren voorkomt in de brieven van St. Paulus). St.-Paulus leert ons dat mannelijk priesterschap niet gebaseerd is op cultuur maar op Godsorde van de schepping: “Want Adam werd het eerst geschapen, daarna Eva. Ook werd Adam niet misleid, maar de vrouw werd bedrogen en kwam ten val.” (1 Tim. 2:12-14)

Hoewel dit oneerlijk kan lijken, moet beklemtoond worden dat dit geen kwestie van gelijkheid is. Het gaat om de rol die ieder van ons toebedeeld is. De Bijbel leert bijvoorbeeld dat God Zichzelf openbaarde in Drie Personen: Hij is een Drieëenheid. Elke Persoon van de H. Drievuldigheid heeft een andere rol. Jezus’ rol is niet die van de Vader. Dit maakt hem op geen enkele manier minderwaardig aan God de Vader. Dergelijke conclusie zou overduidelijk ketters zijn! Er wordt aan Jezus niets tekort gedaan of gediscrimineerd, omdat Hij niet dezelfde rol heeft als de Vader.

Het is best mogelijk dat er veel vrouwen zijn die meer van de H. Schrift afweten of beter uitgerust zijn om met mensen om te gaan dan vele priesters. Ze zouden betere priesters kunnen zijn dan vele mannelijke priesters. Hoewel dit waar kan zijn, is het toch geheel naast de kwestie. Het staat vast dat vele vrouwen meer aanleg hebben voor bepaalde pastorale taken maar dat verandert Gods orde niet. Jezus kon evengoed de rol van God de Vader vervullen, maar dat is ondenkbaar. De Vader, de Zoon en de H. Geest leren ons dat ieder zijn rol te spelen heeft, ook als dat om één of andere reden moeilijk lijkt.

Daarnaast is het belangrijk om het evenwicht zoals God het gewild heeft, te willen zien. Hij verbiedt de vrouw niet om Zijn waarheid te verkondigen. Priscilla en Aquila onderwezen Apollo (Hand. 18:24-26), Filippus had dochters die profeteerden (Hand. 21:8-9). Ook in het Oude Testament werd Debora door God gekozen om zijn boodschappen aan Israël te geven (Rech. 4 en 5). Vrouwen bidden en profeteren in het Nieuwe Testament (1 Kor. 11:5). De passage  die vrouwen aanmaant “zich stil te houden” (1 Kor. 14:29-35) is wellicht een verwijzing naar het in vraag stellen van de autoriteit van diegenen die de leiding van de Kerk hadden of profeteerden. God heeft Zijn eigen redenen voor de beslissingen die Hij genomen heeft. Hij heeft overduidelijk aangegeven dat Hij verkoos mannen en vrouwen zeer verschillend te maken, opdat ze zouden kunnen samenwerken in een geestelijke harmonie waarbij elk zijn/haar rol heeft.

Vandaar dat Paus Johannes-Paulus II in 1994 verklaarde: “Men meent op sommige plaatsen dat het [mannelijk priesterschap] nog open staat voor debat, of dat het oordeel van de Kerk . . . slechts een disciplinaire regel is. Daarom, opdat alle twijfel mag weggenomen worden inzake deze erg belangrijke kwestie, een kwestie die te maken heeft met de goddelijke constitutie van de Kerk zelf, verklaar ik dat de Kerk geen autoriteit wat dan ook heeft om de priesterlijke wijding toe te dienen aan vrouwen en dat dit oordeel voorgoed moet geloofd worden door alle gelovigen van de Kerk.” (Ordinatio Sacerdotalis 4).

We moeten goed onthouden dat de Paus onfeilbaar is: wanneer het gaat om kwesties van geloof en zeden, en wanneer het tezelfdertijd duidelijk is dat de Paus de volheid van zijn autoriteit gebruikt.

Dergelijke onfeilbare uitspraken zijn zeldzaam. Maar uit het citaat blijkt dat dit hier wel degelijk het geval is. Twijfel is niet langer mogelijk: “Dit oordeel moet voorgoed geloofd worden door alle gelovigen van de Kerk.” Wie zich koppig niet bij een onfeilbare uitspraak neerlegt, is niet langer katholiek en plaatst zich buiten de Kerk, zolang men hardnekkig bij zijn mening blijft. De onfeilbaarheid van deze uitspraak werd bevestigd door een officiëel document van de Congregatie voor de Geloofsleer in samenspraak met de toenmalige Paus in 1995: Deze leer “moet aanvaard worden met een vast geloof, aangezien het, gebaseerd op het geschreven Woord van God en van het begin af steeds bewaard en toegepast in de Traditie van de Kerk, onfeilbaar werd voorgesteld door het ordinaire en universele Magisterium (cf. Vaticanum II, Dogmatische Constitutie van de Kerk, Lumen Gentium 25:2)” (Antwoord van 25 oktober 1995)

De volgende citaten van de kerkvaders (1ste-5de eeuw) tonen aan dat er in hun tijd ordes van maagden, weduwen en diakonessen bestonden. Deze kunnen we allen beschouwen als voorlopers van moderne nonnen en zusters. Vrouwen in deze posities werden echter niet gewijd! De kerkvaders stelden zich de vraag of vrouwen gewijd konden worden zoals niet-christelijke priesteressen in de antieke wereld. Ze verwierpen dit idee als onverzoenbaar met het christelijke geloof en niet louter omwille van de christelijke cultuur.

Het antwoord dat de Congregatie van de Geloofsleer geeft rust gedeeltelijk op volgende citaten van de kerkvaders waarin deze onfeilbare leer voorkomt:

De Didascalia: “Het is niet om te onderrichten dat jullie vrouwen . . . benoemd zijn . . . Omdat Hij, God onze Heer, Jezus Christus onze leermeester, ons, de Twaalf, gezonden heeft, om de [gekozen] mensen en de heidenen te onderrichten. Maar er waren vrouwelijke leerlingen onder ons: Maria van Magdala, Maria de dochter van Jacobus, en de andere Maria; Hij zond hen echter niet uit om de mensen te onderrichten. Immers, indien het noodzakelijk ware geweest dat vrouwen zouden onderrichten, dan zou onze Leermeester het hen rechtstreeks opgedragen hebben samen met ons.” (A.D. 225) (Didascalia 3:6:1-2)

St. Epiphanius van Salamis: “In een onwettelijke en godslasterlijke ceremonie wijden zij [de Collyridiaanse ketters] vrouwen door middel van wie zij een offer opdragen in de naam van Maria. Dit betekent dat de ganse procedure goddeloos en godslasterlijk is en een verdraaiing van de boodschap van de H. Geest. Alles wel beschouwd is dit des duivels en een onderrichting van de onzuivere geest.” (A.D. 377) (Adv. Haer. 78:13)

St. Johannes Chrystosomus: “Wanneer iemand verplicht is om de Kerk voor te zitten en de zorg van zovele zielen toevertrouwd wordt dan moet gans het vrouwelijke geslacht zich terugtrekken van deze grootse taak alsook de meerderheid van de mannen en moeten we diegenen aanbevelen die in een grote mate anderen overtreffen en zo hoog boven hen verheven zijn in de uitmuntendheid van de geest, zoals Saulus fysiek de gehele Hebreeuwse natie achter zich liet.” (A.D. 387) (Het Priesterschap 2:2)

De Apostolische Constituties: “«De man is het hoofd van de vrouw» (1 Kor. 9:3), en hij is van oorsprong bestemd voor het priesterschap. Het is niet rechtvaardig om de orde van de schepping in vraag te stellen en het eerste lichaamsonderdeel als laatste te beschouwen. Want de vrouw is uit de zijde van de man genomen en onderworpen aan hem van wie ze werd gescheiden voor de voortbrenging van kinderen. Want Hij zegt, «En hij [de man] zal over u heersen.» (Gen. 3:16) Immers, het eerste deel van de vrouw is de man die haar hoofd is. Maar indien we in de bovenvermelde constituties hen [vrouwen] niet hebben toegestaan om te onderrichten, hoe zal iemand hen dan toelaten, tegen de natuur in, om het ambt van priester uit te oefenen? Want dit is een van de onbewuste praktijken van de heidenen, om vrouwelijke priesters te wijden voor de vrouwelijke goden.” (A.D. 400) (Apost. Const. 3:9)

Tertullianus: “Het is van geen belang hoe divers hun [de ketters] ideeën zijn, zolang ze samenzweren om de ene waarheid uit te wissen. Ze zijn vol van zichzelf: allen bieden kennis aan. Voordat ze hun catechumenaat beëindigd hebben, roemen ze al hoe geleerd ze zijn. En de ketterse vrouwen zelf, hoe schaamteloos zijn ze niet! Ze beroepen zich erop te onderrichten, te debatteren, exorcisme uit te voeren, genezingen teweeg te brengen …” (A.D. 200) (Adv. Haer. 41:4-5)

St. Irenaeus van Lyons: “Terwijl hij [Marcus de Gnostische ketter] gemengde bekers geeft aan de vrouwen, vraagt hij hen deze te consacreren in zijn aanwezigheid. Wanneer dit gedaan is, vult hij een nieuwe beker die veel groter is dan de beker die de misleide vrouw heeft geconsacreerd. . . . Door het volbrengen van verschillende andere gelijkaardige zaken, heeft hij velen totaal misleid en doet hij hen volgen.” (A.D. 189) (Adv. Haer. 1:13:2)

St. Firmilianus: “Plotseling stond er onder ons een zekere vrouw op die in een staat van extase zichzelf als profetes uitriep en deed alsof ze vervuld was met de H. Geest. . . . Door misleidingen en illusies van de duivel had deze vrouw voordien gelovigen op allerlei wijzen misleid. Onder de middelen, waarbij ze velen had misleid, durfde ze te doen alsof ze door een gewone aanroeping brood consacreerde en de H. Eucharistie opdroeg. Ze bracht het offer aan onze Heer op een liturgische manier zoals die overeenstemt met de gebruikelijke ritussen, en ze doopte velen, terwijl ze de gebruikelijke en legitieme bewoording van het doopsel uitsprak. Ze voerde al deze zaken uit op zo’n manier dat ze in niets afweek van de normen van de Kerk.” (A.D. 253) (Vermeld in de brieven van St. Cyprianus 74:10)

Tertullianus: “[Een vrouwelijke ketter], erg praatgraag in deze buurt, heeft een groot aantal personen misleid met haar uiterst giftige doctrine, waarbij haar eerste doel is om het doopsel te vernietigen . . . Maar wij, kleine vissen, naar het voorbeeld van onze Icthus [Grieks, “Vis”], Jezus Christus, zijn geboren in water . . . zodat dat zeer monsterlijke wezen, dat geen recht had om zelfs gezonde doctrine te onderrichten, erg goed wist hoe ze de kleine vissen moest doden, namelijk door hen van het water weg te houden.” (A.D. 203) (Doopsel 1)

Tertullianus: “Het is een vrouw niet toegestaan om in de kerk te spreken (1 Kor. 14:34-35), maar ook niet . . . om te offeren, noch om voor zichzelf een mannelijke rol op te eisen, om niet te zeggen een priesterlijk ambt.” (A.D. 206) (The Veiling of Virgins 9)

St. Hippolytus: “Wanneer een weduwe moet benoemd worden, moet ze niet gewijd worden, maar wordt ze onderscheiden door haar naam [een weduwe] . . . Een weduwe wordt benoemd door woorden alleen, en wordt dan geassocieerd met de andere weduwen. Handen worden haar niet opgelegd, omdat ze de offergaven niet offert en ze niet de liturgie leidt. Wijding is voor de clerus alleen omwille van de liturgie; maar een weduwe wordt benoemd voor gebed, en gebed is de plicht van allen.” (A.D. 215) (De Apostolische Traditie 11)

Concilie van Nicea I: “Zo ook, aangaande diaconessen, alsook met allen die ingeschreven zijn in het register, moet dezelfde procedure gevolgd worden. We hebben ook melding gemaakt van de diaconessen, die binnen dit ambt vallen, alhoewel deze zeker als leken moeten beschouwd worden, aangezien ze op geen enkele wijze een wijding hebben ontvangen.” (A.D. 325) (Canon 19)

Concilie van Laodicea: “De zogenaamde ‘priesteressen’ of ‘voorzitsters’ mogen niet gewijd worden in de Kerk.” (A.D. 360) (Canon 11)

St. Epiphanius van Salamis: “Het is waar dat er in de Kerk een orde van diaconessen is. Dit is niet omdat ze priesteres zijn of voor een of ander administratief werk, maar uit respect voor het vrouwelijke geslacht, zodat tijdens ofwel het doopsel ofwel het bezoeken van de zieke of lijdende, het naakte lichaam van een vrouw niet zou kunnen gezien worden door mannen die de heilige ritussen toedienen, maar door de diaconessen.” (A.D. 377) (Adv. Haer. 78:13)

St. Epiphanius van Salamis: “Door deze bisschop [Jacobus de Rechtvaardige] en de zonet vermelde apostelen werd de opvolging van bisschoppen en priesters in het huis van God gevestigd. Nooit was een vrouw geroepen tot deze ambten . . . Zoals de H. Schrift ons toont, waren er wel degelijk de vier dochters van de evangelist Philippus die profeteerden, maar zij waren geen priesteressen.” (A.D. 377) (Adv. Haer. 78:13)

St. Epiphanius van Salamis: “Indien God vrouwen zou opdragen voor het priesterschap of een kerkelijk ambt op te nemen, dan zou in het Nieuwe Testament niemand het meer dan Maria verdiend hebben om een priesterlijke functie uit te oefenen. Ze werd zodanig geëerd dat haar toegestaan werd om een plaats te voorzien in haar schoot voor de hemelse God en Koning van alle dingen, de Zoon van God . . . Maar Hij vond dit [de toekenning van het priesterschap] niet goed.” (A.D. 377) (Adv. Haer. 79:3)

De Apostolische Constituties: “Een maagd wordt niet tot priester gewijd, omdat we niet zo’n gebod van de Heer hebben gekregen.” (A.D. 400) (Apost. Const. 8:24)

De Apostolische Constituties: “Een weduwe wordt niet tot priester gewijd; zelfs als ze reeds lang geleden haar echtgenoot verloren heeft, en sober en heilig geleefd heeft, en haar familie met buitengewone zorg heeft onderhouden, zoals Judith en Anna.” (A.D. 400) (Apost. Const.)

De Apostolische Constituties: “Een diacones zegent niet, noch doet ze iets anders dat gedaan wordt door priesters en diakens, maar ze waakt over de deuren en assisteert de priesters voor de gepastheid wanneer ze vrouwen dopen.” (Apost. Const. 8:28)

St. Augustinus: “[De Quintillianen zijn ketters die] aan vrouwen de overhand geven zodat dezen ook geëerd kunnen worden met het priesterschap. Ze zeggen immers dat Christus zich geopenbaard heeft aan Quintilla en Priscilla [twee Montistische profetessen] in de vorm van een vrouw.” (A.D. 428) (Haer. 1:17)

(Bron: Women and the Priesthood, Cath. Answers; Why Can’t Women Be Pastors, S. Hall)

Advertenties

From → H. Ordes

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers liken dit: